Geschiedenis van de sledehond

De geschiedenis van de sledehonden begon ca. 4000 jaar geleden, toen in Noord Siberië nomadische stammen voor het eerst honden voor een slede spanden om lasten te trekken. Sinds die tijd hebben de bewoners van de eenzame, door vorst en sneeuwstormen geteisterde poolgebieden sledehonden gebruikt om zich te kunnen voeden, kleden, verwarmen en verplaatsen. Zonder de sledehond waren de culturen van de Chukchi's en de Samojeden ondenkbaar geweest. Ook aan de kusten van Alaska leefden al 1800 jaar voor Christus Eskimo's, die voor hun levensonderhoud volledig op hun honden waren aangewezen; zij spanden drie of vier honden in harnas achter elkaar voor hun tobogan op wel 1500 km lange tochten. De barre omstandigheden schiepen sterke, wolfachtige, dichtbevachte honden, die tegen vermoeidheid en ontberingen waren opgewassen en die voor hun inspanningen met een minimale hoeveelheid voedsel beloond behoefden te worden (ook heden ten dage kunnen onze sledehonden volstaan met ongeveer tweederde hoeveelheid voedsel ten opzichte van andere hondenrassen). De selectie was onbarmhartig, vooral als zij 's zomers volledig aan hun lot werden overgelaten en hun kostje zélf moesten vinden of anders verhongeren. Zij vraten het afval van de eskimonederzettingen, vingen lemmingen en scharrelden langs de kust op zoek naar mosselen, garnalen en andere schelp- en schaaldieren. Zij sliepen buiten, waarin zij zich, opgekruld en met de staart voor hun neus, lieten ondersneeuwen.

De eerste geschreven geschiedstukken over sledehonden worden gevonden in de Arabische literatuur van de 10de eeuw; in de verslagen van de ontdekkingsreiziger Marco Polo uit de 13de eeuw, en Francesco da Kolla vermeldt ze in de 16de eeuw.
Ook in de 20ste eeuw blijven sledehonden, ondanks de stormachtige technologische ontwikkelingen, onontbeerlijke metgezellen voor de mens in de poolgebieden. Machines falen; de harde, sterke sledehond geeft niet op. Pas in 1963 bezorgt Chester Noongwook op St. Laurence Island de laatste post per sledehondenteam. Spotty, Brownie, Mil-Ko-Lak en Donkey worden ingeruild voor een vliegtuig.
De goedzoekers bij de Yukon hadden hondenteams. In Alaska en Canada gebruikten vallenjagers en bonthandelaars teams om zich door de besneeuwde binnenlanden te verplaatsen, die voor andere vervoersmiddelen onbegaanbaar waren.
Nog in 1930 bezat de beroemde Royal Canadian Mounted Police 470 sledehonden, die op patrouilles in de binnenlanden werden gebruikt; in 1955 werd door hen bijna 95.000 kilometer afgelegd over besneeuwde trails, maar in 1967 waren er nog maar 13 RCMP hondenteams en werd er 32.000 kilometer met ze gepatrouilleerd. In 1969 kwam aan deze traditie ook een einde, toen de laatste 78 honden door motorsleden werden vervangen.

Poolexpedities in de 20ste eeuw maakten gebruik van sledehondenteams: hun welslagen kon er mee stáán, zelden vallen.
Peary ondernam zijn tocht naar de Noordpool in februari 1909. Hij startte vanaf Cape Columbia op Ellesmere Island met 24 man, 19 sleden en 133 honden en bereikte de Noordpool op 6 april 1909. In 1911/1912 vond de opwindende race plaats naar de Zuidpool tussen Roald Amundsen en Robert Scott. Scott maakte voor zijn transport gebruik van pony's en honden, maar kennelijk wist hij er geen optimaal gebruik van te maken, want toen hij na een uitputtende tocht van 78 dagen op 17 januari 1912 de Zuidpool bereikte, zag hij hondensporen in de sneeuw en een wapperende Noorse vlag. De pony's hadden tijdens de tocht onuitsprekelijk geleden en raakten verzwakt en uitgeput, maar de honden doorstonden alle ontberingen onverstoorbaar. De barre terugtocht kostte Scott het leven.

Admiraal Richard R. Bird maakte bij zijn tochten naar de Zuidpool gebruik van tractoren en hondenteams en dankte veel van zijn succes aan de honden. In ‘Discovery' schrijft hij: “Vliegtuigen en tractoren zijn schitterende apparaten, maar de honden zijn onvervangbaar. De husky (=hond) van de Eskimo's kan zich over terrein verplaatsen, waar geen tractor kan doordringen en geen vliegtuig kan landen.”
Vliegtuigen, helikopters, tractoren en motorsleden ten spijt, worden sledehonden nog steeds gebruikt door veel poolreizigers, sociologen, antropologen. Medewerkers aan het internationale Geophysische Jaar (1957-1958) en andere wetenschapsmensen prefereren het hondenteam boven technische middelen, omdat de betrouwbaarheid van de sledehond nog steeds superieur blijkt.
In 1978 wordt de tocht naar de Noordpool voor het eerst door één man gemaakt: de Japanner Naomi Uemura wordt vanuit de ruimte gevolgd door een Amerikaanse satelliet, die voortdurend z'n positie controleert via een radioverbinding: maar hij maakt z'n eenzame tocht met 'natuurlijk,' honden!
In 1990 waren een aantal Nederlandse wetenschappers op de Eigergletscher in Zwitserland en een jaar later in Groenland aan het trainen met sledehondenteams ter voorbereiding van hun expeditie naar de Noordpool.

Balto in central park New York In januari 1925 boekten sledehonden de grootste triomf in hun rijke geschiedenis: de beroemde serumrace naar Nome. In dat Alaskaanse stadje werd een geval van difterie ontdekt en de voorraad antitoxine is onvoldoende om een dreigende epidemie het hoofd te kunnen bieden. Twee-en-twintig hondenteams wisselen elkaar af in een heldhaftige tocht door verblindende sneeuwstormen en bijtende vorst om serum naar het benarde stadje te brengen. Voor Balto, de leaddog van een van die estafetteteams, werd in Central Park in New York een standbeeld opgericht.

De sledehondenraces van vandaag wortelen in een rijke traditie en geschiedenis. De rol van de sledehond in het vervoer van mensen en goederen door onherbergzame streken in de wereld is nog niet afgelopen en wacht misschien een nieuwe toekomst, door het schaarser en kostbaarder worden van olie en brandstof voor de machines die hem verdrongen schijnen te hebben.

Sponsored by :